Mensen, vooral zij die er weinig van kennen, doen graag nogal meewarig en lacherig over oude computersystemen. Van de eerste rekenmachines weten ze alleen dat hij een kamer vulde, ook dat de eerste zogenaamde mini-computers de grootte hadden van een uit de kluiten gewassen diepvriezer, en van de legendarische Commodore 64 onthouden ze vooral dat hij twee kleuren had, stel je voor!

En helemaal ongelijk kun je ze niet geven. In het licht van de hedendaagse systemen slaan ze toch een beetje een mal figuur, al is dat allesbehalve terecht en niet de manier om ertegenaan te kijken: ze waren tenslotte stuk voor stuk essentiële ontwikkelingen die de hele technologische wedloop van vandaag mogelijk maken. De eerste krachtmetingen tussen mens en machine vinden we al terug in de vroege jaren zeventig, in de vorm van schaakcomputers. Het bleef lange tijd onduidelijk of die ooit wel in staat zouden zijn de schaakgrootmeesters van toen te verslaan. Meester David Levy sloot in 1968 een weddenschap af waarin hij zei dat hij in de komende tien jaar niet ging verslagen worden door een schaakcomputer. Hij zou gelijk krijgen, op het laatste jaar van de weddenschap moest hij niet al te veel moeite doen om de krachtigste schaakcomputer van toen te verslaan. Nog eens elf jaar later was het wel prijs, hij verloor tegen een computer met de naam Deep Thought. Garry Kasparov nam de weddenschap over en het zou tot 1996 duren tot die een spelletje verloor tegen een schaakcomputer.

Mike Caro

Mike Caro

Echt overtuigend waren computers lange tijd dus niet in het schaakspel. Een discipline waar ze eerder in scoorden was het poker, dat ook wat meer tot de verbeelding sprak. Want toegegeven, een exacte wetenschap kun je het nauwelijks noemen. Kansberekening was een factor die Mike Caro niet over het hoofd mocht zien wanneer hij zijn eerste pokerbot ontwikkelde. De befaamde pokerauteur (hij noemt zichzelf ‘the mad genius’, ik hou het bij Mike) kwam in 1984 al op de proppen met een systeem dat de topspelers van toen kon uitdagen. En dat is precies wat het deed: op het officieuze wereldkampioenschap van dat jaar (the World Series of Poker) speelden twee kampioenen van eerdere jaren een potje Limit Hold’em tegen zijn geesteskind. In totaal speelden ze drie matchen, waarvan de computer er eentje won.

Lang duurde het niet voor er grof geld werd ingezet op matchen, het blijven natuurlijk gokkers. De meest bekende match was degene tegen Bob Stupak. Deze laatste bezat een aantal casino’s in Las Vegas en is ook verantwoordelijk voor de grootste toren daar. Niet de eerste de beste dus: een gehaaide zakenman, maar ook in staat de beste (eigenlijk enige) pokercomputer van toen te verslaan? We zullen het nooit echt weten: in een sleutelmoment van de match, waarop ORAC veel kans maakte om als winnaar uit de bus te komen, schopte iemand de stroomkabel eruit. Toeval? Misschien. Maar zeker is dat het reglement voorschreef dat de hand niet kon meetellen. Stupak maakte er dankbaar gebruik van en kon de match alsnog winnen. We kunnen maar opgelucht zijn dat het poker spel van vandaag stukken veiliger is. Met dank aan computers.